CCC

centrum cubische constructies
William Graatsma en Jan Slothouber

In 1970 vertegenwoordigden de architecten / vormgevers Jan Slothouber (1918) en William Graatsma (1925) Nederland op de Biënnale van Venetië, de befaamde kunstmanifestatie.
Zij waren daar te zien met hun eigen kubische constructies waaronder een gewelfd trottoir.
Onder de naam centrum voor cubische constructies (ccc) onderzochten Slothouber en Graatsma de wiskundige regelmaat van de kubus, toegepast in diverse constructies van verschillende materialen. ccc ontwikkelde onder meer een kubisch rooster maar ook straatmeubilair en meubilair met kubusvormen die de gebruiker op verschillende manieren aan elkaar kon groeperen.
Het meest bekend werden Slothouber en Graatsma echter met een kinderpostzegel waarop een op de punt gekantelde kubusvorm te zien was.
Met deze expositie haalt VIVID – na de eerdere presentatie met werk van Kho Liang Ie – bijna vergeten pioniers van de Nederlandse, naoorlogse vormgeving weer voor het voetlicht.

Vanaf half jaren vijftig werkten Slothouber en Graatsma bij de Staatsmijnen (DSM). Daar ontwierpen zij verpakkingen, advertenties en tentoonstellingen en bepaalden
zo het corporate image van DSM. Daarnaast experimenteerden ze met kubische constructies en ontwikkelden het verder uit voor toepassingen in de tentoonstellingsbouw.
Dat zij in 1965 in de beeldende kunst belandden komt door de belangstelling die destijds voor serialisme, concept en minimal art ontstond. Conservator Ad Petersen en ontwerper Pieter Brattinga van het Amsterdamse Stedelijk Museum ontdekten de vernieuwende manier van tentoonstellingsontwerp van het duo en nodigde hen voor een tentoonstelling uit.
Dat werd de expositie ‘vier kanten: maat vorm, kleur, letter’, waarin zij vorm- en maatgeving, kleur- en letterexperimenten rond de kubus lieten zien.
Hierna richtten Slothouber en Graatsma het centrum voor cubische constructies op. In 1966 kreeg ccc met Peter Struycken en Johannes Itten een Sikkensprijs uitgereikt voor hun vernieuwende rol in kunst en vormgeving.
Vrijwel bij toeval beland in de kunstwereld volgden andere presentaties, onder andere bij de Amsterdamse galerie Art & Project (1968) en die van de Biënnale in Venetië (1970).

Behalve voor de strikt wiskundige en beperkende mogelijkheden van de kubus, had deze vorm voor Slothouber en Graatsma, als ‘anonieme’ ontdekkers ervan, ook een sociale betekenis. Zich verzettend tegen het persoonlijk individualisme van de Cobra-schilders verkozen zij een meer democratische kunstvorm, waarbij de kubus als universele vorm voor iedereen begrijpelijk en hanteerbaar was. ccc trok daarbij de uiterste consequentie dat zij zich ook niet om het copyright van hun ontwerpen bekommerde.
Zo ontwikkelde zij een universeel frame, bestaand uit twaalf gelijke delen die uit elkaar gehaald kon worden en verschillende toepassingsmogelijkheden bood. Met kubussen in andere maatvoeringen erbij kon men spelenderwijs een geometrische (meubel)constructie bouwen. Een dergelijk principe paste ccc toe bij hun kubische meubelbouwpakketten
Deze voor die tijd nieuwe werkwijze greep terug op de socialistische/democratische idealen om kunst en vormgeving in de samenleving te integreren.
Achteraf beschouwd was ccc de tijd – eigenlijk het serieel ontwerpen met de computer – te ver vooruit. In de jaren zeventig vond hun werk steeds minder weerklank. Ondanks twee grote museumtentoonstellingen kochten musea hun werk niet aan.
Slothouber en Graatsma verruilden het ontwerpersbestaan voor docentschappen in het kunstonderwijs en tenslotte scheidde ook hun wegen.

Chris Reinewald