

|
Nominatierapport
Driehonderd vierenzeventig inzendingen, zeven commissieleden en een voorzitter
vormden het startkapitaal van de editie 2003 van de Designprijs Rotterdam.
Een startkapitaal, dat na twee rondes, bespreken en discussiëren
moest uitmonden in een definitieve selectie van genomineerde producten
en een keuze voor de winnaar van de nieuw ingestelde Voordrachtsprijs.
Tevoren was
al duidelijk dat dit taai materiaal zou zijn, taai in de zin dat de vormgeving
voor grote veranderingen lijkt te staan. Veranderingen, waar de organisatie
van de Designprijs Rotterdam in haar oproep tot inzending al van repte:
de vraag naar maatschappelijke relevantie en de groeiende vermoeidheid,
die optreedt door de huidige 'overload' aan producten en ontwerpers. In
combinatie met het feit dat het jarenlang alom geprezen Dutch Design nu
over zijn grootste, internationale hype heen lijkt en niet alles meer
als mediasucces kan worden neergezet. " Wat zijn de consequenties
van dergelijke ontwikkelingen voor de vormgeving?", zo luidde de
vraag die door de organisatie aan mogelijke inzenders was voorgelegd.
Zijn er verschuivingen te bespeuren? Heeft dit gevolgen voor de zo alom
geprezen conceptuele aanpak? En zou bijvoorbeeld de industriële vormgeving
als geen ander in staat zijn om het verlangen naar maatschappelijke relevantie
te articuleren of is deze vraag beter beantwoord door die disciplines,
die meer in de luwte van de markt opereren?
Voor mij, als voorzitter,
was de eerste taak na te gaan in hoeverre er sprake zou kunnen zijn van
een gedeeld perspectief van waaruit de verschillende inzendingen zouden
kunnen worden benaderd. Een lastige ambitie, aangezien de nominatiecommissie
zelf ook uit taai materiaal leek te bestaan. Taai in de zin dat slechts
tastend en voorzien van de nodige twijfel en voorbehoud gereageerd werd
op het verzoek om een gedeeld perspectief. Desgevraagd wilde men wel erkennen
dat men eigenlijk hoopte op 'een nieuwe richting', maar daar werd direct
aan toegevoegd dat men dat op dit moment nergens waarnam en waarschijnlijk
ook niet onder deze inzendingen. Veel waarde werd door de commissie gehecht
aan ambachtelijke kwaliteiten in combinatie met een goed uitgangspunt,
een waarde die mogelijk sterker dan een aantal jaar geleden het gesprek
beinvloedde. Aan meer uitgesproken criteria waagde men zich niet; elk
product stelt zijn eigen criteria, werd als argument aangevoerd. Het proces
van nomineren zelf zou noodzakelijk blijken om de meer impliciete vooronderstellingen
bloot te leggen.
Opvallend was in ieder
geval de reserve bij de commissie ten opzichte van het conceptuele denken,
dat de Nederlandse vormgeving de afgelopen tien jaar domineerde en dat
door velen als de grond van het succes van de Nederlandse vormgeving wordt
gezien. Niet dat het conceptuele denken per definitie werd gerelativeerd,
maar in de ogen van de commissie heeft dit zich in de praktijk veelal
ontwikkeld tot een stijlexercitie, die nog louter in de vorm van een mediastrategie
functioneert. Deze vorm van 'slimmigheid' is weliswaar begrijpelijk binnen
een overvoerde markt met producten die om aandacht schreeuwen, maar kan
nauwelijks nog worden gewaardeerd als het moment van onderscheid. Ook
symboliek en overmaterialisering werden over het algemeen niet bijster
gewaardeerd.
Geirriteerd werd gereageerd
op producten die 'louter het resultaat leken van eensubsidiecultuur',
die vooral voor de vormgevingswereld zelf interessant waren of die 'het
medium misbruikten'; voor statements en commentaar was weinig belangstelling
meer. Over het algemeen verzette de commissie zich tegen elke vorm van
'leukigheid' en bleek daar alleen op zeldzame momenten gevoelig voor.
Ook de alom aanwezige cliché's en epigonen riepen ergernis op.
Men koesterde een onuitgesproken verlangen naar 'integraliteit', naar
gelaagdheid en naar producten die zich daadwerkelijk een serieuze plaats
weten te veroveren in het dagelijks leven. Goed bedoelde, maar in de praktijk
niet goed functionerende of te weinig gebruikersvriendelijke ontwerpen
werden overigens al even genadeloos neergesabeld, evenals producten van
ontwerpers die menselijk gedrag zodanig willen regisseren dat ze de gebruikers
daarmee beroven van hun vrijheid en hun creativiteit. Commerciële
uitingen, die pretenderen de publieke zaak te dienen, werden met wantrouwen
bejegend en één keer zelfs gekenschetst als 'geperverteerd'.
Zo'n beetje alle posities
die vormgevers de afgelopen jaren innamen, passeerden de revue: de ontwerper
als kunstenaar, de ontwerper als technocraat, de ontwerper als redacteur,
als regisseur, als dienaar van de publieke zaak, als grapjas, als criticus
en als theoreticus. Resultaten van al deze posities belandden uiteindelijk
in de selectie. Maar eerst en vooral was er de wens om het product zelf
serieus te nemen en naar aanleiding daarvan op zoek te gaan naar criteria
- van functionele tot meer maatschappelijke - die een inzending een nominatie
waard zouden kunnen maken.
Uiteindelijk bleek
het meest interessante zich niet aan te dienen in de vorm van een groots
en meeslepend nieuw gebaar, maar eerder te schuilen in de nuance; in het
uitbouwen, verdiepen of aanvullen van het bestaande en in ontwerpen, die
op het eerste gezicht een zekere normaliteit kennen, maar bij nadere beschouwing
uitnodigen tot een andere manier van denken, kijken of gebruik. Daarmee
is de selectie voor de Rotterdamse Designprijs 2003 allereerst een verfijnde
reactie op gesprekken die al enkele jaren worden gevoerd in vormgevingsland.
Rotterdam, 29 april
2003
Mede namens de nominatiecommissie:
Jop van Bennekom, Aaron Betsky, Max Bruinsma, Jeanne van Heeswijk, Ed
van Hinte, Hellen van Ruiten en Alexander van Slobbe
Ineke Schwartz
|