Nederlicht, 100 years of Dutch lighting design

December 11, 2009 - February 7, 2010

Gorcums Museum, Gorinchem

With more than 100 lighting fixtures of Dutch designers, the exposition ‘Nederlicht’ at the Gorcums Museum gives an interesting overview of developments in lighting design in the Netherlands throughout the years.

Almost 100 lighting objects are shown by amongst others: Rietveld, Gispen, Tejo Remy, Bertjan Pot, Pieke Bergmans, Atelier NL, Jurgen Bey, Richard Hutten, Aldo van den Nieuwelaar, Frans van Nieuwenborg, Henk Stallinga, Lumiance, Droog, Solid, Philips, Moooi
The exhibition is curated by Leo Krol,

Dutch Text by Chris Reinewald:

Lichtende voorbeelden

Als in de stille nieuwbouwwijk ’s avonds de lichten aangaan lijkt het of het uitgaansleven hartje centrum zich plotsklaps binnenshuis afspeelt. Achter de ramen wisselen kleuren elkaar af. Rose, oranje, gele, lichtblauwe en groene tinten flitsen aan en doven weer, alsof het lichtreclame of een etablissement van bedenkelijk allooi betreft.
Maar dat is natuurlijk niet zo. Kinderen schuiven aan bij de flatscreen-tv. Vaders vouwen het avondblad uit.
Ik haal een folder van een verlichtingsfirma uit de brievenbus en lees wat zich hier voor mijn ogen in de huizen van de overburen afspeelt : “Stralend zomerlicht voor een grijze dag. Lentegroen voor een serene sfeer. Raak de kleurenring aan en verlicht uw omgeving in de gewenste tint. De lichtkleur is eenvoudig aan te passen aan uw stemming zodat u optimaal geniet.”
De vroeg 21ste eeuwer wil alles onder controle hebben om elk moment ten volle te beleven. Never a dull moment. Dus zapt hij ongedurig langs tv-zenders of – beter - bekijkt programma’s precies wanneer het hem uitkomt via internet op de computer. On demand.
Zo is het dus ook met onze verlichting gegaan, getuige deze Philips sense and simplicity folder van de firma met de – niet verzonnen – naam Troost verlichting. Sfeer op afroep.

Technische ontwikkelingen als die van de hierboven genoemde Living Colors sfeerlampen leiden niet alleen tot nieuwe producten, ze veranderen ook ons woongedrag.
Sinds september worden stapsgewijs minder gloeilampen in Europa verkocht. Bedoeling is dat we op de milieuvriendelijke spaarlamp overstappen. In de Zuid-Chinese industriestad Ningbo produceren daarom nu al zo’n 10.000 fabrieken spaarlampen voor de hele wereld.
Voor de vertrouwde gloeilamp komt na tachtig jaar het eind in zicht. Aansturend op een snelle mentaliteitsverandering betitelen milieuorganisaties het ooit liefdevol genoemde “peertje” bits als een ‘inefficiënte lichtbron’. En toch was dat peertje een mensenleeftijd óók een betrouwbare sfeer en lichtmaker in ons huis.
Goed wonen is altijd een serieuze zaak geweest, verlichting zelfs nog meer, al was van een publieksvriendelijke of gebruikersgestuurde benadering zoals nu geen sprake.
Bij de Tien Geboden voor de Huisinrichting (1934) adviseerde Otto van Tussenbroek, kunstenaar en vormgevingscriticus, op de “inwendige mensch te besparen om daardoor ’s avonds een lamp meer te kunnen laten branden, zodat de uitwendige mensch zich in het duister niet stoot en bezeert.”

Binnenskamers Melkwegstelsel
Net zo’n afgepaste luxe typeert het Nederlandse lampontwerp dat na de elektrificatie van ons land tussen 1902 en 1927 ontstond. Exuberante lampen als kroonluchters die recentelijk in goedkope uitvoering als kitsch statement in ons interieur verschenen, passen niet bij de traditionele Nederlandse nuchterheid.
Nog steeds vallen lampen en hun ontwerpers uiteen in twee categorieën waarbij of de vormgeving of de technologie de doorslag geven. Uiteraard staat het één niet los van het ander. In tegenstelling tot zijn voorganger, de af te stellen olielamp kon je bij de eerste gloeilampen niet de lichtsterkte bepalen. De dimmer is pas van recentere datum.
Het fel opgloeiende koolstofdraad in het doorzichtige, glazen peertje verblindde de ogen en moest daarom afgedekt worden. Zonder bestaande designtraditie was het even zoeken naar de meest doelmatige en toch mooie vorm hiervoor. Onze in 1912 opgerichte gloeilampenfabriek in het zuiden des lands betrok daarom ambachtskunstenaars en architecten om voor hen passende armaturen te ontwerpen.
Met reden. In ‘Two Families of Objects’, een vermakelijk essay over de handelsbeurs van Milaan (1970) verdeelt Umberto Eco de dingen in twee families. Je hebt de lelijke dingen: betonboren, hydraulische kranen, cementmixers, grondverzetmachines waarvoor de beursbezoeker alleen een vakmatige interesse kan opbrengen. Daarentegen springt zijn hart van blijdschap op bij de mooie dingen: zwembaden, motorboten, salamiworsten, likeuren [Eco is een lekkerbek], comfortabel meubilair en lampen. Die dingen wil je ooit wel eens bezitten. Net als bijzettafels ontpopten lampjes zich tot huisvrienden.
Met een strikt technisch, “apparatige uiterlijk” zouden lampen wel eens lelijkerds kunnen worden en dan zouden wij ze niet in onze nabijheid dulden.
Bij gebrek aan bestaande vormen putten lampontwerpers in het prille begin vaak uit de natuur met haar vanzelfsprekende, universele schoonheid. Paddenstoelen en bloemkelken bleken bruikbare vormen voor lampen. Daarbij lenen klassieke schaal en vaasvormen zich ook voor technische eisen: je kunt daarmee het licht naar beneden verspreiden of het juist omhoog richten.
Vanuit de techniek geredeneerd berekenden de ingenieurs onder de lampontwerpers de effectiviteit van een gloeilamp met wiskundige formules. Daarop bepaalden ze de vormgeving. Dit technisch functionalisme kon toe met minimale middelen: geometrische vormen met bollen, ringen of strakke constructies met buizen en balken. Behalve deze quasiwetenschappelijke esthetiek - als binnenskamerse melkwegstelsel met planeten – boden deze vormen door hun standaardisering ook een belangrijk voordeel.
Met enig inzicht kun je delen ook onderling uitwisselen, dus met dezelfde onderdelen verschillende lampen construeren. Veranderen de lampvormen en zo de technologie dan nodigt dit weer uit tot nieuwe armaturen. De kleine Led-lampen (licht-emitterende diodes, samen stralingshoek, lichtstroom, lichtsterkte en kleurweergave bepalend) maakten bijvoorbeeld rankere armaturen en venijnige autokoplampen mogelijk.

Kunstlozen
Het Nederlandse lampontwerp beslaat grofweg vier generaties, tijdperken dan wel designtradities, die zich afhankelijk van de smaak tussen functionalisme en decoratie bewegen. Rond 1900 ontwierpen architecten als Cuypers, Berlage of Van der Velde in één moeite door unieke lampen voor hun gebouwen. Geïnspireerd door de zakelijke “kunstlooze” ontwerpen van het Duitse Bauhaus en die van de Zwitserse architect Le Corbusier bedacht ontwerper/zakenman Willem H. Gispen dat je niet alleen de vorm maar ook de productiewijze kan standaardiseren om zo grotere oplages te maken.
In 1927 kreeg hij zijn kans door huizen in te richten voor de invloedrijke architectuurtentoonstelling van het Nieuwe Bouwen in Stuttgart. De speciaal gebouwde nieuwbouwwijk, de Weissenhofsiedlung werd het schoolvoorbeeld voor menige naoorlogse en hedendaagse stadsuitbreiding. Onder de merknaam Giso ontwikkelde Gispen hanglampen met standaardonderdelen, wit glazen cilinders en bollen, omkranst door schijven. Hij waagde zich ook aan een “unicaat”, een eenmalig pianolampje dat hij samen met architect J.J.P. Oud ontwierp. De constructie bestaat uit een bol als contragewicht aan een buis met haaks daarop een groter verlichtingsdeel in een tweede buis.
Van dezelfde orde is de aanvankelijk eenmalige hanglamp die architect-timmerman Gerrit Rietveld in 1920-24 uit drie buislampen, voorlopers van de tl-buis, construeerde.
De techniek en constructie is in al zijn naakte eerlijkheid zichtbaar: haaks op elkaar gehangen horizontale en een verticale buisjes aan blokjes, via draden gemonteerd aan een plafondplaat. Afgezien van het mooie design bezit de hanglamp ook de kwaliteiten van een abstract geometrische sculptuur.
Tussen 1922 en 1930 werkte de Hongaars-Duitse Bauhaus-docent en kunstenaar László Moholy-Nagy aan lichtsculpturen: een combinatie van verlichting, reflectie en rotaties.
Hieruit ontstond dertig jaar later de kinetische kunst met een doorontwikkeling tot autonome verlichtingsobjecten; zonder armatuur.
Achteraf beschouwd vormen de functionele hanglamp van Rietveld, Gispens innovatieve en commercieel geslaagde lampen van Gispen met Moholy’s lichtexperimenten de ijkpunten voor latere generaties Nederlandse lampontwerpers.

Swing!
Maar niet alleen Gispen ontwikkelde zich met zijn firma in lampen en buismeubelen tot een zakelijk geslaagd pleitbezorger van het moderne wonen. Ook Philips was hiervoor verantwoordelijk. Om haar marktpositie te behouden laat Philips – tot op de dag van vadaag - armaturen bij de geproduceerde lampen ontwerpen. Hiervoor werd in 1926 de ingenieur Louis Kalff aangetrokken. Als artistiek adviseur zette hij een designafdeling op waar hij tot zijn pensionering in 1959 leiding aan gaf. Minder technologisch en op architectuur gericht dan Gispen bewandelde Philips/Kalff een gulden middenweg.
In Nederlandse nieuwbouwhuizen van de wederopbouwjaren hingen meestal betaalbare Philips lampen. Metalen kapjes in pastelkleuren, voorzien van koeltegaatjes in de huis- of slaapkamer. Een lampje aan een verstelbare arm voor op de nog onverwarmde kinderkamer. Daarnaast ontwikkelde Philips zakelijke verlichting voor ziekenhuizen en de projectsector: kantoren. Al dan niet in het plafond weggewerkte spotjes belandden in de jaren zeventig ook in het verzakelijkte privé-interieur.
In de jaren vijftig en zestig bepaalden het pure Scandinavische en poetische Italiaanse design de goede smaak. Geïnspireerd hierdoor waagden kleinere Nederlandse verlichtingsbedrijven als Alvia, Artiforte, Hala, Eikelenboom, Raak, Gepo, Hiemstra/Evolux, Industria, Luxo en Lumiance zich tussen 1955 en 1990 aan het ontwerpen en produceren van eigen lampen. Door hun kleinschaligheid konden ze flexibeler opereren en meer experimenteren dan een groot bedrijf als Philips. Ook nu inspireerden nieuwe lampen tot nieuwe ongeziene en trendsettende vormen. Zo heeft de ronde tl-buis aan een transformatorblok van Aldo van den Nieuwelaar (1969) net zo´n revolutionaire sculptuurachtig uiterlijk als Rietvelds buizenlampje. Benno Premsela, ontwerper/ondernemer combineert in 1982 Japanse puurheid met Nederlandse no-nonsense in zijn onverminderd succesvolle Lotek schemerlamp.
Gaandeweg durfden producenten het financieel niet aan om met beginnende lampontwerpers in zee te gaan, dus produceerden de bedenkers het maar zelf.
Of ze besteden het maakproces – voordelig – uit aan sociale werkplaatsen en gevangenissen.
Herman Hermsen ontwierp als zo’n “zelfproducerend” ontwerper medio jaren tachtig geometrische maar steeds speelse lampen. Ze lijken postmoderne variaties op de eerste Giso-lampen. Namen als ‘Along Came Betty’ verwezen naar jazz-standards en benadrukken het improviserende, swingende karakter van de lamp.

Lachwekkende lampen
Eind 20e eeuw ging het er nog vrolijker aan toe, wellicht als reactie op de nederige plafondspotjes. Voor het eerst gaf niet een vormideaal of technisch principe de doorslag maar een uit de beeldende kunst ontleend concept of idee. Lampen werden een commentaar op zichzelf en permitteerden zich een guitigheid waar zowel lichtingenieurs en woonprofessoren decennia eerder van gruwden.
Droog Design muntte deze conceptuele stroming door producten van afstuderende ontwerpers te prsenteren. Ongehinderd door technische en marketingeisen gingen zij nog gewoon hun gang. In 1993 bond Rody Graumans bijvoorbeeld kale gloeilamppeertjes samen met draden en tientallen kroonsteentjes. De geestige “armeluiskroonluchter” (en tegelijk een glorificatie van de gloeilamp) werd een Dutch Design-klassieker. Toch zou de lamp, vanwege de hoge warmteontwikkeling van de dradenbundel, niet de strenge Amerikaanse en Duitse veiligheidseisen voor verlichting doorstaan.
Vanuit dezelfde anti-filosofie ontstond een stapeling van schemerlampkapjes van Marcel Wanders, Tejo Remy’s lampsculptuur uit oude melkflesjes (en zouteloze imitaties daarvan), die als cabaretesk design de laatste Nederlandse nuchterheid verdreven.
Lamp-en klokontwerper Henk Stallinga had genoeg aan een gloeilamp die hij aan aan een buigzame ijzerdraad in de electradraad monteerde. Dit Watt-lampje (1993) lijkt met zijn brutale anti-design-eenvoud afkomstig uit de doe-het-zelfwinkel Praxis en ontpopte zich door de lage verkoopprijs tot onverbiddelijke bestseller. Tegelijk is deze readymade binnen de verlichting vergelijkbaar met de basale lampontwerpen van de Italiaanse broers Castiglioni rond 1950. In 2002 verraste Stallinga met de Lumalasch waarin ronde tl-buizen als ringen uit een gymnastiekzaal zijn opgehangen. Een verborgen extraatje is dat je ze dimt of feller zet door de ringen zachtjes te bewegen.
Met zijn verlichtingsontwerpen negeert Marcel Wanders, inmiddels ster-designer, gangbare afmetingen. Hij blaast zijn lamparmaturen tot buitenformaten op. Behalve licht te verspreiden kun je - als een kabouter onder zijn paddenstoel – ook letterlijk onder de kap in een schaduw zitten. Net als Tord Boontje geeft Wanders de decoratie vrij spel. Vormen worden overwoekerd door meanderende patronen en wilde weefsels.
De goedkope lampjes van het Zweedse woonwarenhuis IKEA lampjes maken het product verlichting tot een modieus gadget.

Armatuurloze autonomie?
Decadentie leidt vaak het einde van een tijdperk in. Flirtend met luxe en hedonisme laat Marcel Wanders op design-en miljonairsbeurzen champagne schenken door een danseres die ondersteboven aan zijn schemerlampjeskroonluchter hangt. Belichamen de champagneschenkster en de lamp het einde van de ooit zo terughoudende Nederlandse vormgeving waartoe de gloeilamp inspireerde?
In zijn kunsthistorisch standaardwerk over de huiselijke verlichting ‘Struck by Lighting’ (1994) suggereerde André Koch dat met autonome lichtobjecten het armatuur wel eens helemaal uit het interieur zou kunnen verdwijnen. De Living Colors als lichtbronnen lijken dit te bevestigen, al kan dit natuurlijk ook een hype blijken.
De lamparmatuur is in ons interieur een te en begerenswaardig, mooi ding om met de gloeilamp af te serveren. Daarbij blijft technologie ontwerpers inspireren. Bewijs hiervoor lijkt de bij de Designprijzen 2009 genomineerde Ventura-lamp van voormalig Philips ontwerper Leo Krol, tevens samensteller van deze expositie, en productontwerper Vincent de Rijk. Door de Led-technologie verbruikt de Ventura vijf keer minder dan een gloeilamp.
Maar ook het oog wordt prettig geprikkeld. De schotelvormige tafellamp, uitgevoerd in twee kleuren giethars, lijkt met zijn geometrie en modulaire lijnenspel op de minimale objecten die de beeldhouwer Ad Dekkers rond 1970 maakte.
Lampen zullen ons lichtend voorbeeld blijven.

Chris Reinewald, november 2009